Pech in de polder

Het is al november, maar het is heerlijk weer: 12 graden, weinig wind en een zonnetje, dus veel volk ’s middags in de polder. Fietsers, wandelaars, vissers, hardlopers en af en toe ook wat scootmobielen.
In de winter zie je niemand, dan zijn het lange dagen, maar nu? Ach, er is altijd wel een praatje of er gebeurt wel iets.

Zo ook deze middag. Ik sta met de kudde op een breed fietspad. Ik ben in gesprek met een voorbijganger en hond Kita ligt op het fietspad voor de kudde, zodat de kudde niet beweegt.
Achter de kudde sluiten een scootmobiel en een fietser aan.
Op de scootmobiel zit een 80-jarige man in een rare houding, laten we hem maar meneer Scoot noemen. Meneer Scoot helt helemaal naar rechts en op de fiets zit een bezorgd kijkende thuisverzorgster. Laten we haar mevrouw Thuis noemen.

“Is er iets?” vraag ik aan mevrouw Thuis. “Ja, meneer Scoot heeft een lekke band en ik ben erg bang dat hij omvalt, maar hij wil niet stoppen. Hij wil alleen maar doorrijden. Het is goed dat de kudde hem nu even tegenhoudt, want ik durf zo niet verder met hem te rijden.”
Ik kijk naar de scootmobiel en jawel, de band is er al helemaal af en meneer Scoot rijdt op zijn velg.

Op de achterkant van de scootmobiel staat een telefoonnummer en mevrouw Thuis heeft, nu er even pauze is, gelukkig de tijd om te bellen. Mevrouw Thuis krijgt de hulpdienst aan de lijn en deze wil weten waar we zijn, zodat hij met een kraanwagen meneer Scoot op kan halen. Vragend kijkt mevrouw Thuis naar mij: “Waar zitten we, hoe heet het hier?” “Ehh tjaaa… ik noem dit altijd Schapenpad 3. Maar daar hebben de hulptroepen niets aan,” zeg ik. Snel bedenk ik een oplossing: “Laat de noodhulp maar naar het parkeerterrein aan de Holyweg rijden, daar zijn wij dan ook over een half uurtje.”
Mevrouw Thuis geeft dit door en kijkt vervolgens naar mij en vraagt: “Hoe dan?” “Laat mij maar even,” en ik spreek meteen meneer Scoot aan: “Meneer Scoot, vanaf nu bent u de hulpherder, U moet halfgas geven en achter de kudde blijven. Ik loop aan de rechterkant naast u en als u er uit dondert, gas los en dan vang ik u op.”
Zo gezegd, zo gedaan. Meneer Scoot en mijn twee honden zetten de kudde in beweging. Ik heb mijn handen vol. Hond Kita weet precies wat er van haar verlangd wordt, maar Spycky (9 maanden oud) wil, als ik haar niet in de gaten houdt, alle kanten opvliegen. Opletten dus!! Meneer Scoot hangt inmiddels half uit z’n karretje en leunt stevig tegen mijn linkerschouder.
In tegengestelde richting zie ik een wandelend echtpaar en een racefietser aankomen. Tegelijkertijd ben ik in gesprek met mevrouw Thuis, die schuin achter mij fietst. Ja, ik wil toch iets meer weten van meneer Scoot.
Meneer Scoot blijk nog zelfstandig te wonen en is goed aanspreekbaar. “Mooi!” denk ik, “Als het fout gaat dan is het wel makkelijker om direct met hem te communiceren.” De racefietser is inmiddels noodgedwongen gestopt en kijkt met z’n mond open, stomverbaasd naar deze bonte stoet.
Het wandelend echtpaar kijkt bezorgd: “Tia? Hartaanval?” “Nee,” zeg ik geruststellend: “Lekke band, maar ik heb geen plakspullen bij me.”
Uiteindelijk komen we uit bij de parkeerplek aan de Holyweg. Ik neem afscheid van mevrouw Thuis, zij kijkt gelukkig en tevreden, want nu is er rust en controle. Daarna wend ik mij tot meneer Scoot, hij heeft een grote grijns op zijn gezicht en geef ik meneer Scoot een hand. En dan hoor ik hem voor het eerst iets zeggen: “Gozer, ik vond het geweldig, ik ben de eerste herder in Nederland met een scootmobiel!!!” Met een glimlach en een drijfnatte rug zeg ik: “Succes straks met de wegenwacht”
Ik loop verder met de kudde en mijn twee maatjes. Jaaaaa… Er gebeurt altijd wel iets moois, als ik met de kudde loop.
De schapen bij de kooi ’s ochtends vroeg.